kop
New York time
Amsterdam time
Dehli time
Tokyo time
Sydney time
   
 
 

Het nut van microkredieten

De economische crisis heeft de meeste impact op ontwikkelingslanden. Ontwikkelingssamenwerking lijkt daarom noodzakelijker dan ooit. Recent onderzoek wijst uit dat microkredieten het beste ontwikkelingsinstrument zijn om kansarme mensen te ondersteunen. Leningen maken de ontvangers niet ‘verslaafd’ aan hulp. Met een microkrediet worden ze op een gelijkwaardige manier geholpen om hun eigen bedrijfje te starten. 
 
Muhammad Yunus, de Bengaalse goeroe van de microkredieten, had in de jaren zeventig geen onderzoek nodig om de impact te weten van dit soort leningen. Na de onafhankelijkheid van zijn land van Pakistan, zag hij met eigen ogen de groeiende armoede om zich heen. In die tijd was hij docent economie aan de universiteit in Chittagong en zeker niet van plan om geld te gaan verstrekken. Hij deed alleen wat hij dacht dat nodig was. Zijn eerste lening bedroeg 27 dollar, die hij uit eigen zak betaalde aan een groep van 42 vrouwen in het dorpje Jobra, vlakbij Chittagong. 
 
Twee jaar geleden had ik het geluk deze charismatische man in hoogst eigen persoon te ontmoeten in Bangladesh. Gekleed in zijn bekende outfit -een blauw-wit geruit overhemd met een beige hesje- oogde de Nobelprijswinnaar voor de Vrede van 2006 totaal niet als een bankdirecteur. Misschien juist daarom wel slaagde hij erin zijn Grameen Bank tot een succes te maken. Tot op heden leende de bank al 6,5 miljard dollar uit aan 7,5 miljoen mensen, alleen al in Bangladesh.
 
Yunus uitte onomwonden zijn mening over conventionele banken die volgens hem ronduit onrechtvaardig zijn. Want, zo zei hij, ze verstrekken geen leningen aan mensen die het ‘t hardst nodig hebben. En: “In de meeste Derde Wereldlanden is de regering niet het juiste adres voor buitenlandse ontwikkelingshulp.”  
 
Over dit laatste schreef de voormalige VVD-politicus Arend Jan Boekestijn onlangs het boek ‘De prijs van een slecht geweten’. In het boek bekritiseert hij de begrotingssteun aan corrupte regimes, het in stand houden van hulpverslaving en de weigering van minister Koenders om het budget voor ontwikkelingsorganisaties onafhankelijk te laten evalueren. 
 
Volgens de schrijver focussen deze organisaties teveel op de publieke diensten en niet op de private sector. In een interview deze maand (januari 2010) zegt hij: “We hebben veel gedaan met praatgroepjes van vrouwen die geslagen worden door hun man. Vreselijk, maar ik kan die vrouwen niet beschermen in de jungle. Ik kan wel een microkrediet geven aan een vrouw in Afrika die een restaurantje wil beginnen.” 
 
(Bron: Nu.nl 
 
Brigitte de Swart 
 
 


City of God 

Voor wie de film niet heeft gezien, klinkt ‘City of God’ als de hemel op aarde. Een stad ergens in het aardse paradijs, waar de zon elk spatje schaduw heeft verdreven. Een plek om je veilig te voelen, zonder angst, zonder pijn, zonder verdriet. Helaas is niets minder waar. ‘City of God’, of ‘Cidade de Deus’ in het Portugees, is een regelrechte hel. Het is één van de gewelddadigste en meest beruchte sloppenwijken in Rio de Janeiro, waar moord en doodslag aan de orde van de dag zijn. Er heerst slechts één wereld: de criminele.  
 
Kinderen leren er al heel jong dat dit geen kinderspel is. Misdaad en bruut geweld worden er in gestampt als een levensnorm. Wie de twintig haalt, heeft mazzel. De rest komt eerder om in de koelbloedige strijd van de eindeloze drugsoorlog, die de favelas al decennialang in de ban houdt. Slechts een enkeling weet te ontkomen uit deze oorlog zonder winnaars.  
 
Ik vraag me af of dat ook geldt voor de jongen met wie we plotseling oog in oog stonden in de sloppenwijk Rocinha, aan de rand van Ipanema. Een wijk die ongetwijfeld te vergelijken is met Cidade de Deus. We hadden er afgesproken met de Canadese fotografe Chantal James. Om financiële redenen én omdat ze het leven in een favela aan den lijve wilde ondervinden, woonde ze geheel vrijwillig in deze krottenwijk.  
 
Het gevaar ligt hier letterlijk op de loer. De brede hoofdweg dwars door de wijk -waar zelfs een buslijn doorheen gaat- kruipt er langzaam tegen de berg omhoog. Onze taxichauffeur baande zich behoedzaam een weg door de wirwar van auto’s, motoren en scooters, die kriskras langs ons heen scheurden. Langs de kant stonden tientallen autowrakken, waarvan de ramen waren vervangen door zwarte lappen. De auto’s dienden als uitkijkpost voor ongenode gasten.  
 
Onze kanariegele taxi bleef niet lang onopgemerkt. Net iets te ver de favela in, sloegen we een hoek om... en keken recht in de harde blik van een jongen van amper veertien. Als in slow motion richtte hij zijn mitrailleur op onze taxi. Wat een eeuwigheid leek, duurde slechts enkele seconden. Te kort voor ons vieren om ook maar een kick te geven. In plaats daarvan verroerden we ons nog geen millimeter. Ook niet toen de jongen ons met de loop van zijn machinegeweer volgde, totdat we uit het zicht verdwenen waren.  
 
Terwijl we de favela zo snel mogelijk achter ons lieten, ging er een uitspraak door mijn hoofd die ik eerder had gelezen. ‘Fight and you'll never survive, run and you'll never escape’. Gelukkig zijn wij de dans ontsprongen. Ik vraag me af of dat ook voor deze ‘soldado’ geldt. 
 
Brigitte de Swart
 
 


Beryl's World

Philadelphia (USA). We hebben een afspraak met Beryl Wolk, onze internationaal ambassadeur. Een man van over de tachtig, die al zo’n beetje zijn hele leven in de marketing zit. Met zijn ‘eigthy years of marketing experience’ -zoals hij zelf maar al te graag vertelt- heeft hij zijn sporen dik verdiend. En dus besloot Beryl Wolk het roer om te gooien. Zijn huidige missie: een betere wereld. Via marketing. Want, zegt hij: “Marketing is making it.”

‘Beryl’s World’, zoals zijn bedrijf heet, is gelegen op de bovenste verdieping van een kantoorcomplex in Jenkintown. Volgens hem ‘the closest place to God’. Wie zijn domein betreedt, stapt letterlijk in Beryl’s wereld. Nooit van mijn leven heb ik zoiets gezien. Elk stukje muur is behangen met advertenties, magazines, incentives, posters en niet te vergeten foto’s. Van Beryl met Jesse Jackson, van Beryl met Donald Trump, van Beryl met Silvio Berlusconi, van Beryl met God weet wie allemaal.

Zijn eigen kamer spant de kroon. Overal, maar dan ook overal, staan producten waarmee Beryl in zijn leven als marketinggoeroe te maken heeft gehad. Van antikankerpillen tot aidsprikkers, gezondheidssapjes en alcoholtesters, van boeken tot tijdschriften en allerhande prullaria. Je kunt het zo gek niet bedenken of het staat, ligt en hangt er. Het is één grote uitdragerij. Of beter gezegd: een museum. Het Beryl Museum.

En daar, temidden van zijn unieke verzameling, ontvangt Beryl de ene na de andere prominent, gelukszoeker en wereldverbeteraar. Met zijn grenzeloze energie en twinkelende ogen lijkt deze marketingexpert iedereen voor zich te winnen. Op het puntje van zijn ‘troon’, in het midden van de ruimte, vertelt deze kleine grote man iedereen die er oren naar heeft precies hoe de vork in de marketingsteel zit.

Als een doorgewinterde docent die zijn gretige studenten met toewijding toespreekt, kun je niet anders dan deze man in je hart sluiten. Al zou het niet zijn om zijn enorme kennis, dan is het wel vanwege zijn innemende, vaderlijke houding. Beryl Wolk is de vleesgeworden ‘American Dream’, die ‘his adopted kids from The Netherlands’ maar al te graag met raad en daad bijstaat. Omdat we tot het uiterste gaan voor één en hetzelfde doel: een betere wereld.

Brigitte de Swart

 


Dankbare ogen

We zijn op weg naar het interview met Bibi Russell, een voormalig topmodel dat nu als modeontwerpster zo’n 35.000 wevers op het Bengaalse platteland werk biedt. Zoals gewoonlijk is het verkeer in Dhaka een regelrechte chaos. Auto’s, vrachtwagens, riksja’s,  alles wat maar wielen heeft, rijdt dwars door elkaar heen en veroorzaakt een permanente smog-sluier over deze miljoenenstad. Er tussendoor bewegen massa’s mensen zich als mieren in een gigantische mierenhoop. Bijna allemaal met maar één doel: overleven. 
 
Bij elk verkeerslicht drommen tientallen bedelaars samen rond de stilstaande auto’s. De eindeloze files grijpen ze aan om hun schamele kostje bij elkaar te sprokkelen. Té vaak tevergeefs. Wie wil scoren, moet opvallen. En daarin gaan ze ver. Heel ver. Zoals die vrouw met haar ‘lease baby’ bij wie de ingewanden er half uit hangen. Los van het feit dat deze aanblik je hart doet krimpen, is het te triest voor woorden dat vrouwen een baby moeten huren om aan een beetje geld te komen. Hoe onmenselijk en oneerlijk kan het leven zijn. 
 
Ik vraag Steven, een expat die al vijf jaar in Dhaka woont, hoe hij met dit soort situaties omgaat. Soms geeft hij wat geld, zegt hij, maar meestal probeert hij hen te negeren omdat het onbegonnen werk is. En dat is precies wat ik in de afgelopen dagen heb gedaan. Mijn blik afwenden en vooral niet kijken. Maar om eerlijk te zijn: het voelde niet goed.   
 
Op dat moment stopt een vrouw naast me. Met haar diepliggende, gerimpelde ogen, scherpe neus en uitstekende jukbeenderen, ziet ze er waarschijnlijk veel ouder uit dan ze in werkelijkheid is. Haar groene sari bedekt grotendeels haar grijze haren. Haar gebogen houding maakt haar klein en kwetsbaar. Ze houdt haar hand op met een lach. Het is een wanhopige glimlach. Steven geeft me wat geld. Ik open het raam een klein stukje en geef haar de takas. Slechts een paar seconden ontmoeten haar dankbare ogen de mijne. Lang genoeg om contact te voelen met deze fragiele vrouw. Lang genoeg om mijn hart te laten huilen…   
 
Waarschijnlijk heb ik haar dag gemaakt. Maar hoe ziet morgen er voor haar uit? En hoe zit het met de volgende generatie? Voor deze oude vrouw zal elke structurele hulp te laat zijn. Maar niet voor de nieuwe generatie. Het klinkt misschien vreemd, maar juist deze vrouw is voor mij het symbool van hoop en leven.
 
Brigitte de Swart